Het brood dat wij breken

//Het brood dat wij breken

Het brood dat wij breken

Onder de vieringen op zondag zijn er vier of vijf  ‘Woord- en communie vieringen’ en is er één ‘Eucharistieviering’, globaal gesproken dus eenmaal in de maand. Daarin draagt een priester de H.Mis op, waarin wij niet alleen herdenken het lijden en sterven aan het kruis van Christus, maar waarin wij, als essentie van de Eucharistie, bij het Kruisoffer tegenwoordig zijn. In zijn begin vorig jaar uitgevaardigde encycliek ‘Ecclesia de Eucharistia’ benadrukt de paus de transsubstantiatie: na de consecratie houdt brood op brood te zijn en wijn houdt op wijn te zijn. Vanaf dat moment is het het Lichaam en Bloed van Christus onder de gedaanten van brood en wijn, en blijft dat zolang het in die gedaanten bestaat. Tevens onderstreept de paus dat om de consecratie geldig te doen zijn, een priesterwijding onvoorwaardelijk noodzakelijk is. Dit betekent dat die wijding via de bisschoppen direct op de apostelen terug moet gaan. In de encycliek toont de paus de leer van de Eucharistie als een onneembaar fort. De paus is hier als Petrus, de rots waarop de Kerk is gebouwd, die door niemand zal worden overweldigd.

In de leer van de Kerk is een ‘woord- en communieviering’ geen ‘Eucharistie’, maar een door schriftlezing, overweging en gezang omgeven herdenking, en een broederlijk en zusterlijk liefdemaal. Woord- en communieviering en Eucharistie liggen in het spanningsveld van leer en praktijk. Uit de nood van een wereldwijde crisis in het priesterambt, kreeg een vorm gestalte die voldeed aan de behoefte van een parochie om in gemeenschap het geloof te vieren en voort te bouwen op een levenslang gekende traditie. Van meer bijkomstige betekenis is het nog formeel bestaande kerkelijke voorschrift om op zondag de mis bij te wonen. Zoals aan vele andere kerkelijke voorschriften gaan we hier makkelijk aan voorbij. Maar toch, naar verluidt van zekere orthodoxe – of moet ik zeggen conventionele – kringen in Utrecht leeft de opvatting dat de mensen tegenwoordig mobiel genoeg zijn, om, indien er in hun parochie geen Eucharistieviering is, naar elders te gaan om daar de mis bij te wonen. Deze gedachte ziet voorbij aan het belang van de sociale samenhang binnen de parochie. Voor het parochieleven is ook het koffie-uurtje na de zondagse viering van grote betekenis.

Het spanningsveld van leer en praktijk heeft zijn risico’s. Het werkt vervreemdend. Door gewenning wordt de spanning niet meer gevoeld en zal op de duur ook de oorzaak van die spanning in vergetelheid raken. Woord-en communieviering en Eucharistie zullen stilzwijgend ineenvloeien. In de liturgische vormgeving lijken ‘woord-en communieviering’ en ‘Eucharistieviering’, afgezien van woord en riten van de tafel, al sprekend op elkaar. De pogingen die van de zijde van het bisdom worden gedaan om het onderscheid duidelijker te markeren zijn merkbaar, maar houden de ontwikkelingen in de praktijk niet tegen. Wat zegt trouwens de transsubstantiatie ons nog? Dat is naar zijn wezen een dogma dat welhaast ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Het is dan ook niet zo vreemd dat bij ons de cultus van de eucharistische aanbidding verdwenen is, ook al zegt de paus dat te betreuren. Symbool en riten van het sacrament van de Eucharistie vereisen een nieuwe duiding. De betekenis en de beleving van de transsubstantiatie zal anders verwoord moeten worden.

Willen de parochiële vieringen haar diepste geloofsbeleving behouden,dan zal de parochie steeds meer op zichzelf aangewezen zijn. Daarbij zullen de door de Kerk gestelde liturgische normen wat ruimer gesteld (moeten) worden. Wie alle heil verwachtte van maatregelen om het priesterambt ruimer toegankelijk te maken voor (gehuwde) mannen en vrouwen, loopt al achter de feiten aan. Die verruiming moet en zal er op de duur wel komen, maar is geen panacee voor onze actuele problematiek. De praktijk gaat verder. Wij, als gelovige gemeenschap, willen het brood blijven breken, zoals Jezus ons dat heeft voorgedaan en in Zijn Geest. Ter wille van de eenheid zal de Kerk haar gelovigen volgen.

Timo Harmsen, 1 april 2004

By | 2017-05-17T15:59:52+00:00 april 1st, 2004|nieuwsblad|0 Comments

Leave A Comment