It ain’t necessarily so (Gerhswin)

//It ain’t necessarily so (Gerhswin)

It ain’t necessarily so (Gerhswin)

“De t’ings dat yo li’ble Te read in the Bible / it ain’t
necessarily so”

Wat je leest zo getrouw In die bijbel van jou Hoeft echt
niet 
zo te zijn

De mondige mens
Ten geleide:

De mens is begiftigd met eigenschappen van verstand en vrije wildie hem in staat stellen zijn bestemming te kennen, door zichzelf te leren kennenHet ken u zelf‘ is daartoe een klassiek filosofische aansporingHij is in staat zijn transcendente herkomst te herkennen en zich daaraan verantwoordelijk te weten.

Een socratische gedachte: Het hoeft niet te zijn zoals anderen zeggen dat het is, en al helemaal niet omdat het altijd al zo geweest is (groepsbelang, traditie). In de 5e eeuw v.C, leerde Socrates de jeugd van Athene kritische vragen te stellen bij de heersende mening, ook al had hij zelf niet op alle vragen antwoord. We moeten niet ondergaan in de massa, maar zelf denken en oordelen.
Inzicht en wijsheid verwerven. We mogen op onze individuele moraliteit aangesproken worden. Dat werd in de toenmalige theocratische samenleving een staatsgevaarlijke theorie gevonden, hetgeen heeft geleid tot Socrates’ veroordeling. Te midden van zijn vrienden en leerlingen dronk hij, trouw aan wat hij zelf als juist zag, de door hem zelf gekozen gifbeker. Als je jezelf serieus neemt houd je jezelf voor mondig. De mondige mens moet zelf beslissen, zelf handelen. Hij draagt een eigen verantwoordelijkheid, die hij niet kan afschuiven op God, Kerk of Staat. Slechts in het kader van de democratische vrijheid kan mondigheid gedijen.
De mondige mens wil geïnformeerd zijn. Slechts een open samenleving met een vrije pers en vrijheid van meningsuiting biedt hem die nodige informatie. Mondige mensen vormen het democratische draagvlak voor de beslissingen van de ons vertegenwoordigende overheid.
Hoe wordt mondigheid nu ingekleurd? We zijn assertief, komen voor onszelf op. We willen autonoom zijn, niet aan een externe autoriteit onderworpen en onafhankelijk. We zijn allergisch voor bevoogding. Het is hier dat de mondigheid uit zijn voegen dreigt te barsten en tendeert naar een gevoel van ongebonden vrijheid en maakbaarheid van je eigen geluk. Wij zijn zelf de maatstaf van alle dingen. Mondigheid krijgt hier individualistische trekken. Maar de mens is eerst en vooral een gemeenschapswezen. Op dat gemeenschapswezen en op de verantwoordelijkheid van de individuele mens wordt ook voortdurend een beroep gedaan door politieke en maatschappelijke organisaties. Uiteindelijk hangt het welzijn van onze samenleving af van onze individuele beslissingen, en de mate waarin we in deze beslissingen het maatschappelijk belang meewegen.

Wat geldt voor de mondige mens in de seculiere samenleving, geldt dat ook voor de mondige katholiek in zijn kerk? Hierbij denk ik niet op de eerste plaats aan de kerk als instituut, maar aan de kerk als heilsgemeenschap. (Al kun je beide uiteindelijk niet scheiden.) De kerk als heilsgemeenschap is niet vergelijkbaar met de seculiere staat. Een statelijke gemeenschap is afhankelijk van de wil van degenen die haar vormen. De kerk als heilsgemeenschap is gefundeerd in een voorafgaande transcendentie en
erkent zich afhankelijk van een hogere waarheid. De kerk als heilsgemeenschap zoekt die waarheid, zoekt God. De kerk bemiddelt de waarheid op grond van een door haar verondersteld toekomend goddelijk gezag. Hierin laat zij aan de katholieke gelovige geen ruimte, maar eist zij absolute trouw aan de door haar gedefinieerde waarheid. Jezus, hoewel Hij bad dat de beker van het lijden aan hem voorbij mocht gaan, bleef trouw aan zijn geweten, aan wat hij zag dat hij moest doen om niet zijn eigen
identiteit te verloochenen, om zijn menselijke waardigheid en geestelijke integriteit niet prijs te geven aan het kwaad.
De van God vervulde mens Jezus, die tot het uiterste
durfde te gaan Hoger kan het leven niet geschat worden. Dat is wat ons inspireert. Trouw aan de Kerk betekent trouw aan ons eigen geweten. De mondige katholiek vindt daarin de ruimte om duiding en betekenis te geven aan de waarheid in zijn leven. Zijn mondigheid culmineert in de werking van zijn geweten, daar waar hij met God alleen is. Of zoals de Katechismus van de Katholieke Kerk het formuleert in paragraaf 1776: “Het geweten is de meest verborgen kern en het heiligdom van de mens, waarin hij alleen is met God, wiens stem in hem weerklinkt”. Dit plaatst ons geweten uiteindelijk boven het gezag van de Kerk. Dit vereist moed, wijsheid en kennis.
De erkentenis dat onze kennis niet volmaakt of zelfs absoluut kan zijn, kan niet betekenen dat de Kerk over onze gewetens heerst. Dat zou immers een ontkenning zijn van onze menselijke waardigheid.
Na het afsluiten van dit artikel las ik in “VOLZIN” van 13 augustus 2004 het artikel “De kerk mag vermanen, niet voorschrijven” van de senator Erik Jurgens. Het slot wil ik hier graag citeren: “Bij het Laatste Oordeel moeten we
ons elk persoonlijk verantwoorden. Een beroep op aanwijzingen uit Rome of Utrecht pleit dan niemand vrij.”

Timo Harmsen, 1 september 2004

By | 2017-05-17T15:47:54+00:00 september 1st, 2004|nieuwsblad|0 Comments

Leave A Comment