‘Wees niet bang’

//‘Wees niet bang’

‘Wees niet bang’

is het levensverhaal van bisschop Tiny Muskens. Hij vertelde het aan Arjan Broers, die het voor ons optekende. Het is het verhaal van een man die bijna zeventig jaar geleden geboren werd in een vroomgelovig Brabants boerengezin, priester werd,  studeerde, boeken schreef en doceerde, de wereld bereisde en in het hart van de wereldkerk, Rome, belangrijke functies vervulde om in 1994, tot bisschop gewijd, de leiding van het bisdom Breda op zich te nemen.

Hij vertelt een boeiend, en vaak ontroerend en vooral openhartig verhaal met talrijke anekdotes, die, als ze hem zelf betreffen even zovele voorbeelden zijn van zijn vroomheid en zijn talent voor spiritualiteit. Vroomheid voert ook tot grootmoedigheid, de deugd van de magnificentia, d.i. groot maken wat van waarde is. Zijn verhaal toont evenzeer zijn moed, waar hij duidelijk eigen meningen geeft over hoe het verder moet in en met de kerk in deze wereld, ook als die meningen wel eens niet helemaal met die van zijn collega’s in het ambt overeenkomen.

Voor wie van dezelfde generatie is als Muskens biedt veel van wat hij schrijft ook de vreugde van de herkenning.

In 1962 priester gewijd,  werd hij in de praktijk al spoedig geconfronteerd met het feit dat de mondloze vroom-gelovige gemeenschap, die alles van hogerhand gemakkelijk wist te aanvaarden, begon te veranderen in een gemeenschap van  mondige mensen die zelf konden nadenken en hun eigen beslissingen wilden nemen. Het is ook onze ervaring, generatiegenoten die in de zestiger en zeventiger jaren verantwoordelijk waren voor onze gezinnen in opbouw, dat de kerk voor al onze vragen niet zo maar een oplossing kon bieden. Toen was het Mgr Bekkers die in zijn regelmatige televisiepraatjes ons een hart onder de riem stak. En nu is het Muskens die het belang van het eigen geweten sterk benadrukt. Je bent geen beter katholiek naarmate je de mening van paus en bisschoppen belangrijker vindt dan je eigen mening.

Al tijdens zijn studie op het seminarie  wilde hij missionaris worden. Misschien was hij daarin beïnvloed door familieleden die als pater of zuster in de missie werkten. Maar hij wilde dan wel uitdrukkelijk ‘wereldheer’ blijven. Nog tijdens zijn werk in de Brabantse parochies  oriënteerde hij zich op Indonesië en kreeg van Mgr Bluyssen toestemming een studiereis door Azië te maken.  Dat de kerk een wereldkerk is, een fenomeen dat hij nog vaak in zijn boek zou benadrukken, betaalde zich al uit in de vele logeeradressen die hem op zijn reis geboden werden. Van vele namen van personen en plaatsen in zijn Indonesische jaren kon hij verslag doen, kennelijk aan de hand van de aantekeningen die hij naar hij in een televisiegesprek vertelde, al gedurende zijn hele leven gewoon was te maken. Ook hieruit spreekt zijn ijver en discipline, zelfs gedrevenheid, welke zijn hele levensverhaal doorademt.

Dichter bij het hart van de kerk kwam hij in 1977, toen hij rector werd van het Pauselijk Nederlands College in Rome. De ‘Uitkijkpost Rome’ noemt hij het hoofdstuk waarin hij daarover vertelt. Kenmerkend voor hem is ook dat hij de voorkeur gaf aan deze post boven die van hoogleraar in de Indonesiologie aan de Rice University in Houston. Liever werken in de omgeving van priesterschap en vriendschap dan opgaan in de wetenschap.

Hoe boeiend en leerzaam die hoofdstukken ook zijn, voor ons zijn, naar ik meen, toch vooral de laatste twee hoofdstukken van belang. Heel actueel zijn de paragrafen over ‘Het kerkelijk spreken over seksualiteit”, over het celibaat, de positie van de vrouw in de kerk en het belang van de leken-vrijwilligers in de kerk. Punten die ter sprake zouden moeten komen in een te houden derde Vaticaans Concilie. Intussen pleit Muskens er voor het celibaat niet langer verplicht te stellen, hoewel hij een hoge waarde blijft toekennen aan een celibatair leven en in zijn boek daarvan openhartig getuigenis geeft. Als dat er niet van zou komen dan moet er toch een groter rol worden toegekend aan de vrijwilligers en pastorale werkers in de liturgie, de kerkelijke organisatie en in het pastoraat. En niet in de laatste plaats ook aan de vrouw. Vooral ook aan de vrouw zouden hogere functies in het bestuur van de kerk gegeven kunnen worden. Een vrouw zou zelfs kardinaal kunnen worden. Een kardinaal behoeft geen priester of bisschop te zijn.

Dit is niet bedoeld als professionele recensie, maar een persoonlijke reflectie op Muskens’ levensverhaal, waarvan ik u graag laat kennisnemen met de aanbeveling, ‘lees het boek’. Het is prachtig vormgegeven en het leest als een trein, zoals men het wel eens uitdrukt. Als je er eenmaal aan bent begonnen leg je het niet meer uit handen voor je het uit hebt.

Timo Harmsen, 1februari 2005

By | 2017-05-17T15:34:16+00:00 februari 1st, 2005|Geen categorie|0 Comments

Leave A Comment