Namens wie spreekt u!

//Namens wie spreekt u!

Namens wie spreekt u!

Een reflectie over het tweede deel van de studieavond van 30 november 2010 over “Hoe blijven wij kerk in onze lokale geloofsgemeenschap?”:
Vragen en Discussie.

 

Het betoog van pater Lascaris had de aanwezigen wel wakker gemaakt, bleek uit de levendige discussie die in het tweede deel van de avond ontstond. Eerst in de pauze onderling en daarna tijdens de voortzetting door het stellen van vragen.  Dat Lascaris ons argumenten had aangereikt voor onze eigen oriëntatie en visie op kerkzijn, kreeg daarmee een vruchtbare voortzetting. Onze kerk is een eucharistische kerk. Eucharistie en kerk horen bij elkaar. De ontmoeting met Jezus in de eucharistie inspireert ons en voedt de kerk, waarin het gaat om het brengen van liefde en gerechtigheid en vrede in de wereld. Deze gedachte willen we vasthouden, willen we beleven in onze geloofsgemeenschap. Maar we voelen ons geremd en te kort gedaan in onze vrijheid om de mogelijkheden die wij in onze gemeenschap hebben te gebruiken. Dit was de rode draad die ons deze avond samenbond.

 

Wanneer we in onze zondagse samenkomsten geen eucharistie kunnen vieren bij  afwezigheid van een priester, vieren we een woord- en communieviering. Dat is beter dan niets, maar het hindert ons toch dat het geen eucharistieviering mag zijn, ook al  lijken eucharistieviering en woord- en communieviering veel op elkaar  en voelen velen van ons de woord- en communieviering niet als minder dan de eucharistieviering. Het is geen echte maaltijd zoals de eucharistieviering. Het is meer mee-eten van een maaltijd die elders heeft plaats gevonden. Het is bemoedigend wat Lascaris er van zei. We zouden wat onze vieringen betreft niet aan wel of niet een eucharistieviering moeten denken, maar meer moeten denken in gradaties, in meer of minder gericht op de eucharistie. Maar we moeten wel blijven vieren en samenkomen om door elkaar geïnspireerd te worden, door samen in de bijbel te lezen, over de problemen in de wereld te praten, en er voor elkaar te zijn.

 

Kerk blijven betekent eucharistie blijven vieren. Daarom gingen de vragen en de discussie ook in hoofdzaak over de vraag waarom we geen eucharistie kunnen vieren zonder priester. We zouden de bisschop kunnen confronteren met de vraag een door ons voor te stellen persoon als onze leider en voorganger in onze eucharistievieringen te bevestigen. Dat de bisschop dat helemaal niet kan omdat hij dan een breuk met de andere bisschoppen zou veroorzaken, zoals onze pastoor ten Have betoogde, zou de bisschop er toe moeten kunnen aansporen zijn medebisschoppen te proberen te overtuigen van de urgentie om de regels van de kerk aan te passen. De eisen die de kerk nu stelt aan priesterschap en eucharistie hebben niets te maken met de eisen die een eucharistieviering stelt. Het is de gemeenschap die viert, niet de priester. Ook al realiseren we ons dat daarvoor nog een hele ontwikkeling te gaan is, het zou onze droom dat we nog eens onze eigen voorgangers, man, vrouw, gehuwd, ongehuwd, aan de bisschop kunnen voordragen, die hij dan de handen oplegt, kunnen doen verkeren in een hoopvolle verwachting. Een verwachting die ons kan bemoedigen in en met onze kerk verder te gaan en ons kan weerhouden om in onze nood onze eigen weg te gaan. Een weg die steeds vaker andere gemeenschappen wel kiezen.

 

De kerk heeft een imagoprobleem, werd (en wordt) er gezegd, en spreekt de jeugd niet meer aan. De jeugd is apart bezig met geloof en spiritualiteit. In eigen bijeenkomsten, maar niet meer in de kerk. In hun ogen is de kerk een onverzettelijk, ondemocratisch bastion. Daardoor krijg je – met respect gezegd –  alleen maar ‘grijze hoofden’ in de kerk. Het zijn intussen wel die grijze hoofden die zich zorgen maken om de toekomst van hun kerk die zij hun hele leven hebben liefgehad. Het is een omkering van zaken om op de vraag hoe kerk te blijven zonder gewijde priesters, te zeggen dat het gebrek aan gelovigen het probleem is. Niet het gebrek aan gelovigen is het probleem, maar het gemis van attractiviteit van de kerk voor de jonge mensen. En bij hen ligt de toekomst van de kerk. Was niet de bedoeling van het concilie de kerk ‘bij de tijd’ te brengen en daardoor weer verstaanbaar voor de wereld? Dat is niet gerealiseerd. De kerk moet naar de mensen komen en niet andersom.

 

En tot slot; “Namens wie spreekt u hier”, werd door pastoor ten Have aan pater Lascaris gevraagd. Er is uiteindelijk maar één autoriteit waarop het geloof van de mensen berust, het eigen geweten. Wij spreken voor onszelf. En pater Lascaris sprak op onze uitnodiging  voor zich zelf, maar bovendien met de autoriteit van zijn kennis als theoloog. Daar moeten we het mee doen. En als het kan, wel samen graag.

By | 2017-05-19T14:54:34+00:00 februari 15th, 2011|nieuwsblad|0 Comments

Leave A Comment