Commentaar van het werkverband voor de rechtscultuur in de kerken

//Commentaar van het werkverband voor de rechtscultuur in de kerken

Commentaar van het werkverband voor de rechtscultuur in de kerken

WERKVERBAND VOOR DE RECHTSCULTUUR IN DE KERKEN (WRK)

(Contactadres: Mr.P.J.Oudsingel 136, 6836 PT Arnhem)

Arnhem, 22 september 2011

Geachte heer Harmsen,

Doordat wij onze voor 24 augustus geplande WRK-vergadering een paar weken moesten opschuiven, komt onze reactie op de door u gezonden teksten veel later dan we voorzien en gewenst hadden. Hopelijk hebben wij uw geduld niet te lang op de proef gesteld.

Bij dezen bieden we u graag de opmerkingen van ons college aan. Met het oog op de overzichtelijkheid houden wij de volgorde van de door u aangeboden teksten aan.

Uw e-mail van 21 mei
Op twee punten ben ik, op persoonlijke titel, reeds ingegaan in mijn e-mail van 7 juni:

+ De vragen rondom de kerkrechtelijke status van een zelfstandige geloofsgemeenschap kwamen vooral op ons toe vanuit groepen met een katholieke signatuur, en daarom zijn wij in onze studie ‘Op weg naar zelfstandige geloofsgemeenschappen’ daar wat breder op ingegaan.

+ Het streven naar het verwerven van canonieke rechtspersoonlijkheid lijkt ons weinig zinvol, omdat bisschoppen daar nogal sterke condities aan kunnen stellen en dus precies de gewenste zelfstandigheid onder druk zou kunnen komen..

Het parochieblad-artikel ‘Doodlopende weg’, door ons ontvangen op 15 juni

In dit artikel vinden wij enkele punten goed verwoord:

+ De parochies in ons land kennen een collegiaal bestuur. Daarbinnen heeft de pastoor een eigen status en eigen bevoegdheden, maar hij is geen monocraat. Het is goed dat dit weer eens duidelijk gezegd wordt.

+ Er is momenteel sprake van een sterke centraliserende en hiërarchiserende trend, waardoor parochies zich eerder door bisschop en bisdom geremd dan gesteund kunnen voelen bij het werken aan een vitale lokale geloofsgemeenschap. We tekenen daar nog bij aan dat ook bisdommen en bisschoppen pleiten voor het tot stand komen van vitale lokale geloofsgemeenschappen, en daar ook instrumenten voor aanreiken zoals lokatieraden en pastoraatsgroepen. Maar dat pleidooi en die dienstverlening zijn weinig geloofwaardig als ze gepaard gaan met een autoritair en centraliserend beleid dat weinig ruimte laat voor het ontwikkelen van eigen, op de concrete situatie inspelende vormgevingen. Dat moet wel tot spanningen leiden.

Uw artikel ‘De zelfstandige geloofsgemeenschap’, ons op 20 juli toegezonden

+ Een notitie bij punt 2, regels 8-17. De stelling dat “het publieke karakter van een parochie tegenstrijdig is aan haar wezen van gemeenschap van mensen” lijkt ons iets te sterk geformuleerd. Ook een niet volstrekt autonome groepering kan een gemeenschap genoemd worden. Inkadering in een breder organisatorisch geheel tast het gemeenschapskarakter niet per se aan. Een ‘seculier’ voorbeeld zou men kunnen zien in een burgerlijke gemeente: die kan zich als gemeenschap ervaren en presenteren, ook al is haar interne organisatie deels ‘van hogerhand’ opgelegd en kan ze zelfs onder financiële curatele gesteld worden. En om naar ons eigen kerkelijk terrein terug te gaan: richtlijnen en voorschriften vanuit wereldkerk en bisdom tasten het gemeenschap-zijn van een parochie niet aan.

Je kunt daarbij natuurlijk wel kritisch vragen of al die richtlijnen en voorschriften een parochiegemeenschap nog wel echt steunen en verder helpen, of ze voldoende recht doen aan eigentijdse en lokale wensen. Het op zich terechte verantwoordelijkheidsgevoel van pausen en bisschoppen kan ontaarden in bemoeizucht.

+ Een notitie bij punt 4. Uw suggestie dat ook de lokale geloofsgemeenschap een formeel statuut krijgt, is zeker de moeite waard, en we horen er geluiden in terug uit onze eigen ‘Handleiding’. Maar er valt ook iets te zeggen voor een niet al te ‘geregelde’ lokale structuur, omdat die meer vrijheid biedt om dingen te wijzigen of eens een andere weg in te slaan. Niet alles wat legitiem is hoeft ook legaal te worden verklaard (zie uw noot 1 bij dit stuk!).

Uw artikel “De saamhorige geloofsgemeenschap”, ons toegezonden op 5 september

Ook bij deze verkorte versie van uw langere notitie uit juli willen wij nog twee notities maken.

+ In punt 1 stelt u de intrigerende vraag “Is de parochie een ‘project’ van de kerkelijke hiërarchie of een gemeenschap van christengelovigen ?” Het antwoord is natuurlijk dat de parochie primair gemeenschap van gelovigen is. Ambten zijn er alleen maar omdat en in zoverre een gemeenschap daar behoefte aanheeft, en bij afwezigheid van een gemeenschap is er ook geen vraag naar ambtelijke dienst en de daarbij behorende bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Canon 1042.2 stelt dan ook terecht dat iemand alleen gewijd mag worden als dat nuttig geacht wordt voor het dienstwerk van de kerk.

Toch kan men onzes inziens ook wel spreken over de parochie als ‘project van de kerkelijke hiërarchie’. Want een van de belangrijkste taken van een bisschop is nu juist dat hij inspirator en ‘toezichthouder’ (episcopus) is van de gelovige gemeenschappen in zijn bisdom.

Het is dus geen of-of, het is beiden.

+ Dat een concrete geloofsgemeenschap een belangrijke stem moet hebben bij de keuze van haar leiders, spreekt vanzelf. Dat versterkt de verwachting dat het zal ‘klikken’ – een niet echt geaccepteerde leider heeft hoogstens formeel-juridisch gezag. Van de andere kant is de lokale geloofsgemeenschap niet de enige ‘generator’ van haar ambten. Die komen voor een deel ook van ‘elders’: als een gave van de wereldkerk en van het bisdom waarbinnen die lokale geloofsgemeenschap een plaats heeft en zal willen hebben. Het leiderschap in een lokale geloofsgemeenschap heeft dus twee componenten, een interne en een externe. Als eigen invalshoeken of accenten, als eigen ‘zending’ van het externe leiderschap kunnen bijvoorbeeld gelden: de trouw aan het Evangelie levend houden, het blijven staan in de levende christelijke traditie, de band met de zusterkerken leggen en bewaren, bemiddelen in geschillen, zo nodig tucht uitoefenen. Maar het externe leiderschap mag nooit zó dominant zijn dat het interne leiderschap zich niet kan ontplooien en een formaliteit blijft. Het vinden van een werkbare balans tussen die twee componenten van leiderschap zal niet altijd een eenvoudige zaak zijn.

Van uw reacties op deze kanttekeningen zullen we graag kennis nemen.

Met vriendelijke groet, voor het WRK,

Ruud Bunnik, voorzitter.

By | 2017-04-14T14:33:45+00:00 september 22nd, 2011|dlg|0 Comments

Leave A Comment