De zelfstandige geloofsgemeenschap” in kerkrechtelijk perspectief

//De zelfstandige geloofsgemeenschap” in kerkrechtelijk perspectief

De zelfstandige geloofsgemeenschap” in kerkrechtelijk perspectief

Het uitgangspunt  is de fusie van parochies waar wij allen in betrokken zijn of op korte termijn mee te maken zullen krijgen.

De door de bisschop verordonneerde fusies berusten op zijn visie dat de kerk een priesterkerk is waarin het vieren in de parochies van de eucharistie centraal staat en dat daarom het aantal parochies aan het aantal beschikbare priesters moet worden aangepast.
Wij daarentegen zijn van mening dat de constitutie over de kerk van het Tweede Vaticaans Concilie, ‘Lumen Gentium’  leert dat de kerk het Volk Gods onderweg is, waarin iedere gelovige gelijkelijk geroepen is er aan bij te dragen het Koninkrijk Gods in de wereld nabij te brengen.

Hoe wij deze bisschoppelijke move – deze bestuurlijke parochiereorganisatie – beleven  wordt beïnvloed door de feitelijke situatie waarin we ons bevinden.

De kern van het probleem

Als na een fusie onze parochie formeel kerkelijk rechtelijk is opgeheven, resteert ons in beginsel dezelfde geloofsgemeenschap als waarvan we voor de fusie deel uitmaakten. We gaan naar dezelfde kerk, ontmoeten er dezelfde mensen. Er verandert op het eerste gezicht weinig of niets. Er ís wel veel veranderd, maar in eerste instantie niet door de fusie van parochies op zich zelf, nee, wat er veranderd is heeft de fusie veroorzaakt, althans uitgelokt. Het traditionalistische restauratieve beleid van de kerkleiding, die het liet gebeuren en er zelf aan bijdroeg dat het ‘aggiornamento’  van paus Johannes XXIII werd verkwanseld, heeft in hoge mate bijgedragen aan de leegloop van de kerk. En als we spreken over de kerk als instituut zien en ervaren we dat aan een minimum van mensenrechten wordt voorbij gegaan.

Wat kunnen we doen.

Weglopen of er bij blijven. Ik ga uit van het laatste en wil bekijken of er redelijke mogelijkheden zijn. Want “Wij zijn kerk”.  Dat zal u bekend in de oren klinken: “Wir sind Kirche”; “We are church”. Onlangs kreeg ik toegezonden “A Catholic Bill of Rights in the 1983 Code of Canon Law”. De Amerikaanse expert in het canonieke recht, Father James Coriden – mede redacteur aan het kerkelijk wetboek van 1983 – beschouwt de canones 204 – 223 van Boek II, Titel 1 van het Kerkelijk wetboek als een “Verklaring van de rechten van de katholiek” en zegt dat het niet overdreven is ze de grondwet  voor de katholieken te noemen. Ze gaan over fundamentele zaken van menselijk waardigheid en de betekenis van het zijn van lid van de kerk. In verband met het onderwerp van vandaag,  beperk ik mij nu tot het noemen van één artikel, canon 215, Dit artikel geeft de christengelovigen het recht verenigingen op te richten  om, onder meer, de bevordering van de christelijke roeping in de wereld gemeenschappelijk na te streven.

Kerk  als Gods volk

In onze visie van kerk als volk Gods  is de kerk een gemeenschap van gemeenschappen. Hun onderlinge relatie wordt beheerst door het subsidiariteitsbeginsel. Een beginsel ontleend aan de katholieke sociale leer. De lokale geloofsgemeenschap is daarin de meest nabije plaatselijke kerk. Waar mensen het reilen en zeilen met elkaar delen, waar zij elkaar kennen, daar voelen zij zich het meest elkaar nabij en het meest met elkaar verbonden. Het is in deze gemeenschap  dat wij ons het meest kerk voelen.  In die gemeenschap vinden wij als kerk onze eigen plek.

Wat is een gemeenschap

Het begrip van gemeenschap, zoals ook het Kerkelijk Wetboek de parochie aanduidt,  wordt van hogerhand sterk ondergewaardeerd. De mens is van nature een ‘gemeenschapsdier’. Wij kunnen niet zonder elkaar. In alle aspecten van het leven hebben wij elkaar nodig. Vooral als het gaat om onze religie. Het gaat niet alleen om een piëtistisch vrome beleving van de eucharistie. Ook al vinden ook wij het vieren van de eucharistie belangrijk . Maar, zegt dr. Hermann Häring: ”Wanneer een gemeenschap in naam van Christus bij elkaar komt, is Jezus onder hen. Hij verwerkelijkt zich in hun samenzijn, hij biedt zich aan als gedachtenis, ter navolging en als hoop. Wie dus, door de gemeenschap van gedoopten daartoe aangewezen, deze gemeenschap in staat stelt om te handelen en haar stem verleent, staat, ongeacht geslacht, levenssituatie of andere  kwalificaties, in naam van Christus in hun midden. Wij kunnen dus onze eigen diensten vieren.” (citaat uit “De fakkel van de vernieuwing”  van Dr. Hermann Häring)

De lokale geloofsgemeenschap kerkrechtelijk gezien

Door de fusie hebben samengevoegde parochies als zodanig opgehouden te bestaan. Daarmee verdween het juridische kader waarin de lokale geloofsgemeenschappen waren geconstitueerd. De lokale geloofsgemeenschappen bleven als duidelijk kenbare entiteiten, met  ieder een eigen identiteit  bestaan. Zij zijn blijven bestaan als gemeenschap, maardan zonder (interne) structuur en zonder (externe) rechtspersoonlijkheid.
In een kerk, gedefinieerd als volk Gods, gaat de gemeenschap  van gelovigen voor op de priester. Dit is de leer van Lumen Gentium en wordt ook duidelijk uitgelegd in de brochure van de Nederlandse dominicanen van september 2007.
Het kerkelijk wetboek van 1983 kent  als laagste organisatie-eenheid de parochie. Canon 374,1 zegt “Elk bisdom of andere particuliere kerk dient verdeeld te worden in onderscheiden delen, dit wil zeggen parochies.”   Het is daarom het  fundamentele recht van een lokale geloofsgemeenschap als parochie tot bestaan te komen, als parochie te worden erkend en als parochie zijn bestaan voort te zetten.. En, zegt canon 120,1: eenmaal gevormd en erkend,  wordt zij een ‘rechtspersoon’, van nature voor onbepaalde tijd, zolang zij niet op wettige wijze wordt opgeheven of bij gebrek aan activiteiten gedurende een periode van 100 jaar heeft opgehouden te bestaan.
Ik constateer hier een tegenstrijdigheid. De bisschop  heft parochies op en maakt er één parochie van, maar laat de lokale geloofsgemeenschappen bestaan, die ieder voor zich, juist omdat zij bestaan,  het fundamentele recht hebben als parochie te worden  erkend en tot parochie te worden geconstitueerd.
Wat onder een gemeenschap en in het bijzonder een geloofsgemeenschap zoals het kerkelijk recht toch de parochie aanduidt , moet worden verstaan, wordt  in het kerkelijk recht niet gedefinieerd. Maar een regionale of stedelijke conglomeratie van  geloofsgemeenschappen een parochie noemen, rekt het begrip gemeenschap, toch op zijn minst een geheel van op elkaar betrokken personen, tot in het onwerkelijke op.
Het is daarom dat ik al in het parochieblad van onze parochie in Bennekom van januari 2009 schreef dat  de fusie zoals die aan de regio topdown(!) wordt opgelegd in strijd is met letter en geest van de wet.

Het priester te kort is geen  legitieme en geschikte reden om parochies op te heffen

Canon 1248,2 beveelt dringend aan dat in geval van het ontbreken van priesters  de gelovigen woord-  en of gebedsvieringen houden in de parochiekerk of in een andere gewijde plaats, hetgeen impliceert dat ook bij gebreke van een priester het kerkelijk leven en de eredienst moeten  doorgaan. De pastorale zorg over een parochie kan ook aan anderen dan priesters worden toevertrouwd, zoals leken bedienaren of diakens.  (Canones 516,2 en 517).

Lokale geloofsgemeenschappen willen blijven voortbestaan
Het centralistische beleid bedreigt hun vitale voortbestaan

De bestuurlijke machteloosheid van de locatieraad – slechts mandataris van het centrale parochiebestuur – dwingt de (leden van de) lokale gemeenschap zelf het beleid in handen te nemen. Daarbij bestaat behoefte aan structuur voor de inrichting en organisatie van haar werkzaamheden en voor het voeren van het beheer over de geldmiddelen die door en voor de lokale gemeenschap bijeen gebracht worden. In het sinds de fusie ontstane vacuüm, waarin het uiterst onzeker is of de kerkelijke autoriteiten medewerking zullen verlenen aan het oprichten van een kerkelijke rechtspersoon

[i]) ten behoeve van de lokale gemeenschap, kunnen leden van de lokale gemeenschap het beste kiezen voor de oprichting van een vereniging naar burgerlijk recht; bij voorkeur een vereniging die zoveel mogelijk leden van de lokale geloofsgemeenschap als lid telt. Ik noemde al eerder het ‘grondwet’ artikel 215 van het kerkelijk wetboek. De lokale geloofsgemeenschap is van nature reeds een feitelijke vereniging, maar heeft als zodanig naar Nederlands recht nog geen rechtspersoonlijkheid.

De vereniging kan alle in het belang van het bevorderen van de vitaliteit van de lokale geloofsgemeenschap nodige en wenselijke initiatieven nemen en uitvoeren. Zij is werkzaam ten behoeve van de lokale geloofsgemeenschap, maar valt daar niet van nature  mee samen. In een eventueel proces waarin het zou kunnen gaan om de belangen van de lokale geloofsgemeenschap –bijvoorbeeld om het behoud van (het gebruik van) het kerkgebouw – kan de vereniging zowel als gemachtigde en als partij optreden. Om velerlei redenen is het van belang dat zoveel mogelijk leden van de geloofsgemeenschap lid worden van de vereniging.

Als voorbeeld wil ik geven de veronderstelde situatie dat de bisschop besluit het kerkgebouw van een vitale lokale geloofsgemeenschap aan de eredienst te ontrekken en aan het parochiebestuur opdraagt de kerk te verkopen. Dan lijken mij de diensten van een vereniging die de belangen bundelt van de leden van Gods volk wiens rechten dreigen te worden geschonden van onmisbare betekenis. Een kerkelijke procesgang, als ook een demarche naar de burgerlijke rechter ter bewaring van rechten is wel werk van specialisten.

Timo Harmsen, Bennekom 16 januari 2013

Zie noot 5 uit: De zelfstandige geloofsgemeenschao (juli 2011) door Timo Harmsen

zie A.J.M.van der Helm: Hartslag van de Kerk: De Parochie, Deel II bl.4 “Het begrip ‘gemeenschap’ lijkt niet zo gemakkelijk inpasbaar in de juridische definitie van de parochie, maar niettemin vormt het een essentieel onderdeel ervan.”
By | 2017-04-14T14:30:55+00:00 januari 16th, 2013|dlg|0 Comments

Leave A Comment