Tijden veranderen…….

//Tijden veranderen…….

Tijden veranderen…….

De tijd veranderde ook ons denken over geloof en zeden en ons krampachtig omgaan met seksualiteit.

In het vorige nummer van dit blad deelde ik met u een leeservaring van het boek “Oorlog en terpentijn” van de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans. Het verhaal speelt zich af in Vlaanderen en onder meer in de stad Gent. Uit de tijd van mijn kinderjaren heb ik aan die streek veel herinneringen. Ook oorlogsherinneringen, niet van ‘de Grote Oorlog’, waarover het boek in belangrijke mate gaat, maar van de “Tweede Wereldoorlog”. Het boek van Hertmans maakte meer herinneringen in mij wakker.

Toen de oorlog in Nederland en elders in West Europa op vrijdag 10 mei 1940, twee dagen voor Pinksteren, uitbrak, woonde ons gezin in Sas van Gent, waar mijn vader directeur van het postkantoor was. Sas van Gent was in die tijd een druk industriestadje, gelegen aan het kanaal van Gent naar Terneuzen op de grens met België. Het postkantoor, dat tevens de ambtswoning van de directeur omvatte, was een in zijn omgeving relatief groot gebouw met op de hoek een torentje en met in het midden een hoog uitstekende paal waarvan naar alle richtingen telefoondraden gingen. Ik was toen 12 jaar.
Ik ging die dag gewoon naar school. Of we veel geleerd hebben weet ik niet meer. Wel staat mij nog helder voor de geest dat tegen het einde van die schooldag het fluitende geluid van neer suizende bommen en zware explosies ons in paniek de straat deden oprennen richting huis. Ik zag al gauw mijn vader staan wenken. Wij woonden dicht bij de school. Een enkel Duits vliegtuig had een spoor getrokken van vijf of zes bommen, dat precies over ons huis liep. Een bom was gevallen vlak voor het postkantoor op een glasgroothandel, en een bom vlak na het postkantoor op het huis van de koster, die een winkel had in religieuze artikelen  e.d. Jammer van de heiligenbeeldjes, de rozenkransen en de kerkboeken. Maar zijn oude vader die net zijn middagslaapje deed, dankte zijn leven aan het feit dat hij van onder zijn matras onbeschadigd uit het puin kon worden gehaald.

Het Nederlandse leger moest al na enkele dagen van strijd voor de Duitse overmacht capituleren. Ook het Belgische leger werd ver teruggedrongen. Niettemin besloot het een verdedigingslinie op te werpen langs het kanaal van Terneuzen naar Gent en de rivier de Leie. De inwoners van Sas van Gent. dat in de frontlinie kwam te liggen, moesten evacueren.  Er was geen andere richting dan naar het westen. Na een dag en een nacht kwamen we terecht in Oost Eeclo. In Oost Vlaanderen. Dus helemaal niet zo ver van huis.
We kregen onderdak in een schoolgebouw. De vloeren waren bedekt met een dikke laag stro. In de verschillende lokalen bakenden gezinnen met hun pakken en zakken een eigen territorium af.
De strijd die we in Sas van Gent dachten te ontlopen woedde hevig in en om Oost Eeclo. Van west naar oost en van oost naar west floten de granaten over onze hoofden heen en weer. Vliegtuigen voerden hun luchtgevechten boven ons uit. Scherven van shrapnels kinkelden als hagel neer op het schoolplein. Een grote kassei uit de straat kwam dwars door het dak en het plafond midden in ons klaslokaal neer, wonder boven wonder zonder iemand te raken. Mannen en vrouwen lagen op de knieën, de handen smekend geheven, het ene oefening van berouw biddend na het andere. “Barmhartige God, ik heb spijt over mijn zonden omdat ik uw straffen heb verdiend […] Ik verfoei al mijn zonden en beloof met de hulp van uw genade […] niet meer te zondigen. Heer wees mij zondaar genadig.” Ik kende die mensen natuurlijk wel. Ze kwamen elke zondag in de kerk. Hoewel, sommige ook niet. Met verbazing zag ik het aan. Het waren toch geen dieven en moordenaars? Mijn begrip kwam later.

Een paar jaar later, 1943. Bij gebrek aan een gymnasium in Zeeuws-Vlaanderen was ik op het gymnasium van het Thomascollege in Venlo, intern  op het internaat van de paters Augustijnen. Een paar dagen voor kerstmis ging ik met vakantie naar huis. In die oorlogsdagen een lange reis, het hele land door van oost naar west en dan nog met de veerpont over de Westerschelde naar Zeeuws-Vlaanderen. Het was nog donker toen we vertrokken, oorlogsdonker. De lichten op het station verduisterd tot gloeiende spijkers. De trein die richting Eindhoven ging, kwam uit Duitsland en was al deels bezet. Wij, we waren met een groepje scholieren, kwamen in gesprek met een paar jonge mannen die in het kader van de ‘Arbeitseinsatz’ in Duitsland te werk gesteld waren en  op verlof gingen. Ze mochten alleen op verlof als een achterblijvende kameraad voor hen garant stond dat zij op tijd zouden terugkeren. Een van de jongens liet ons een briefkaart zien geschreven door een achtergebleven kameraad en bestemd voor diens moeder. Met zijn eigen bloed had hij geschreven: ”Lieve moeder, ik zal nooit meer onkuischheid doen…..”. Wat dat betekende begreep ik inmiddels goed.

Nu een passage uit het boek:

Nu werd het bevel doorgegeven ons meteen in de loopgraven te begeven en tot nader order niet meer te bewegen. De nacht vie!; we sliepen in op de dunne laag stro die we uit de kapotte schu­ren hadden gehaald. Anderen gewoon op de modderige bodem, sommigen half staand, gebogen boven hun geweer, weer ande­ren in foetushouding, met hun gezicht naar de ondiepe aarden wal gekeerd. We hadden zin om te roken, maar de geur van siga­retten zou ons kunnen verraden aan vijandelijke verkenners.

Ik dacht die nacht weer aan mijn moeder, en plots, ik weet niet waarom, aan het feit dat ik nog nooit een meisje had gehad -iets wat me geregeld de spot van de anderen opleverde. 1k dacht aan het meisje in de ondiepe poel – was dat nog maar zo kort geleden? Ik zag haar oprijzen in het warme waas van het zo­merse landschap bij de haven, zij die de kleren van Bernadette Soubirous had gedragen. Haar zachte naakte vel brandde als een lichtvlek in het duister. Wat veroorzaakt toch dat wonder, dat we in onze dromen licht en leven zien, terwijl het donker is om ons? Onrust woelde door mijn lijf, begeerte kreeg mete pak­ken, en de duivel van het verlangen naar zelfbevrediging kreeg me in de greep. Hier en daar hoorde ik het regelmatige schuiven van stof in het donker, ik wist wat het betekende. Van de ande­ren begreep ik het, maar mezelf zou ik het niet vergeven. 1k kwam in de wurging van een eindeloos verlangen mij eindelijk ook een keer te ontladen, eindelijk een keer, niet gezien door de Almachtige en zijn priesters, onbereikbaar,voor de biecht, hier in deze hel van dood en modder waaruit zelfs de dieren van het paradijs waren weggevlucht. Zou het mogen, voor een keer? Nog voor ik iets kon ondernemen, louter door de gedachte aan de mogelijkheid, vloeide het heet en verzaligend in mijn leger­broek; ik schokte, duizelde en begon stil te huilen, bad Onze­Lieve-Vrouw om vergiffenis voor mijn zwakheid. Ik zag het meisje, mijn begeerte hield niet op, ik wentelde me zuchtend in het vuile stro, gaf me ten slotte met brandend schuldgevoel toch aan mijzelf over, huilde, bad om vergiffenenis voor mijn zonde, viel in slaap.”

 

Tempora mutantur, nos et mutamur in illis. Tijden veranderen en wij veranderen mee.

By | 2017-04-14T14:22:02+00:00 maart 23rd, 2014|nieuwsblad|0 Comments

Leave A Comment