Professor, bestaat God?

//Professor, bestaat God?

Professor, bestaat God?

“Speuren dat zich achter al het ervaarbare iets verbergt dat ons verstand niet vermag te vatten, iets waarvan de schoonheid en verhevenheid slechts indirect en als een zwakke afglans tot ons komen, is religiositeit. In die zin ben ik een diep religieus atheïst.” (Albert Einstein, 1879 – 1955)

Het is kennelijk onmogelijk ons neer te leggen bij ons onvermogen de filosofische kwestie God tot een oplossing te brengen: Bestaat God en laat hij merken dat hij bestaat? Telkens weer wordt de vraag of God bestaat aan de orde gesteld. Deze keer kwam de vraag van de 7 jarige Anco. Hij stuurde de vraag op naar de Rijksuniversiteit Groningen (RUG), die dit jaar haar 400-jarig bestaan viert en om dat te vieren de serie ‘400 vragen aan de RUG’ in het leven riep. (Dagblad Trouw 1 juni 2014). “Bestaat God? Kan de universiteit dit eens uitzoeken?”[1])

Zoals het bericht in Trouw meldde, belandde de vraag niet bij een theoloog maar op het bureau van een astronoom, want een astronoom staat dicht bij de hemel. Dat dat niet de echte reden was blijkt even later. Dat zou het antwoord trouwens meteen al op een dwaalspoor hebben gezet. Nee, de sterrenkundige Peter Barthet is een hardcore wetenschapper en dankte de eervolle uitnodiging om Anco’s vraag te beantwoorden aan het feit dat hij zich ook wel eens in het publieke debat over de relatie tussen geloof en wetenschap had gemengd.

De relatie tussen geloof en wetenschap gaat hierover dat er misschien een Schepper-God is die achter deze wereld en het heelal zit, maar dat we dat noch kunnen bewijzen noch uitsluiten. Van af de middeleeuwen, toen God als schepper van hemel en aarde als vanzelfsprekend deel van ons wereldbeeld uitmaakte, zo niet het beheerste, is de kwestie God via de tijd van de Renaissance en de Verlichting waarin het liberale denken en de wetenschap steeds verder tot ontwikkeling kwamen, tot in onze (post)moderne tijd hét onderwerp in ons filosofische discours geweest.

De kwestie God verdeelt onze wereld in verschillende met elkaar in strijd zijnde groepen: Theïsten, die geloven dat er een God bestaat die vanuit een buiten-wereldse werkelijkheid, – noem het hemel, in ieder geval een plaats waar de mensheid vanouds goden en geesten, engelen en duivels plaatsten, –  ingrijpt in onze binnen-wereldse werkelijkheid, Maar over de hoedanigheid van hun God danig verdeeld zijn in verschillende godsdiensten en denominaties daarvan, en die elkaar, soms tot de dood toe bestreden en bestrijden; Atheïsten die stellen dat er geen God of Goden bestaan, soms tot in het obsessieve toe, in bijvoorbeeld atheïstisch manifesten, al bestrijden die soms vormen van godsgeloof die de 19e eeuw niet hebben overleefd; Agnosten, aanhangers van het agnosticisme, die de opvatting huldigen dat het onmogelijk is te weten of er wel of niet een God bestaat. En dan al die te onderscheiden groepen in graden van intensiteit op de schaal van een tot honderd. Met andere woorden, de kwestie God is in een patstelling geraakt. Kunnen we ons daaruit bevrijden?.

Professor Barthet brengt het filosofische discours ook niet verder, hetgeen ook niet anders verwacht kon worden. God bestaat niet, stelt hij, en in de geschiedenis van het heelal heeft hij ook geen rol vervult. Alleen uitsluiten kunnen we dit niet. Misschien ervaren mensen steun aan hun geloof in een helpende en zorgende God, maar meer dan een persoonlijk gevoel is het niet, zegt Barthet.[2])

(De kwestie) God bestaat al zolang de mensheid bestaat en is ontsproten aan de verwondering over de plaats van de mens in het heelal of noem het de confrontatie van de mens met al het bestaande om hem heen. Met de kennis over het heelal, over al wat bestaat, is die verwondering sterk toegenomen. Daarvan getuigt ook de oudere collega van Barthet, waarvan ik een citaat hierboven heb opgenomen. De verwondering waarvan sprake gaat gepaard met een ons overstijgende, non-rationele, ervaring van schoonheid en verhevenheid, van iets heiligs. Dit is wat we een religieuze ervaring noemen. Die ervaring verzinnen we niet zelf, die overkomt ons. De mens is eerder slachtoffer dan de schepper ervan; het numineuze [3]– want zo noemt de twintigste eeuwse theoloog Rudolf Otto ( 1869-1937) dit verschijnsel – wordt willoos ervaren. Het numineuze, wat de oorzaak ervan ook mag zijn, is meer een voorwaarde voor het menselijke bestaan.

Albert Einstein noemt zich een diep religieuze atheïst: In de werking van het heilige dat hij ervaart, erkent hij niet de God, de ‘theos’ van de tijd waarin hij leefde, deels tevens de tijd van de ouderen onder ons. Daarom noemt hij zich ‘atheïst’. Ook voor ons bestaat die tijd niet meer en daarmee is ook het godsbeeld van die tijd voor ons onhoudbaar geworden.
Ons godsgesprek is in een patstelling geraakt omdat we ons godsbeeld gedogmatiseerd hebben. We zullen onze numineuze ervaringen weer moeten leren serieus te nemen; ons in onze ervaringen persoonlijk aangesproken weten. Zo bezien is God een persoonlijke god. Maar geen persoon. Dat is een te menselijke categorie. Hierover meer een volgende keer.[4])

 

[1] ) http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/article/detail/3664656/2014/06/01/Professor-bestaat-God.dhtml

[2] ) Barthet adstrueert zijn conclusie met heel rationele argumenten die de moeite van het lezen zeer waard zijn. U kunt het lezen in de  in noot 1 gegeven link naar het artikel in Trouw.

[3] ) afkomst van het woord numineus: Latijn ‘numen’: 1. Knik, 2 wenk. wil, i.h.b .van een god, 3 goddelijke macht, -invloed, – majesteit.

[4] ) Over een nieuw godsbeeld schreef ik in dit blad (mei/pinksteren 2012) eerder een artikel onder de titel ‘Aggiornamento’. Zie op http://home.kpn.nl/harms785/relisofie/artikelen_pb/83_aggiornamento.htm of http://www.rkkerkbennekom.nl/wordpress/wp-content/uploads/2012/05/PBpinksteren2012.pdf.

By | 2017-04-14T14:17:40+00:00 augustus 15th, 2014|nieuwsblad|0 Comments

Leave A Comment